Nieuws
Marylee van der Meulen over de psychologische factoren bij kaakgewrichtsproblemen
Zo’n 25 jaar werkte Marylee van der Meulen bij ACTA. In de loop van jaren verzamelde zij gegevens voor haar proefschrift: “Psychological screening of temporomandibular disorder patients”. Het was nooit haar bedoeling om te promoveren, maar door toevallige omstandigheden raakte ze bij het onderzoek betrokken. Ze werkte als klinisch psycholoog bij ACTA en “deed het onderzoek er naast”. Woensdag 7 december gaat ze promoveren.
Marylee van der Meulen over haar onderzoek:
“De titel van mijn onderzoek luidt: ‘psychologische screeningslijsten voor patiënten met kaakgewrichtklachten’ en dat geeft gelijk weer waar mijn onderzoek over gaat. Men is erachter gekomen dat het voor kaakgewrichtklachten belangrijk is om psychologische factoren al aan het begin van de behandeling op te sporen. Daar zijn vragenlijsten voor bedacht, waar ze vooral in Amerika heel systematisch onderzoek naar doen. Een aantal van die vragenlijsten zijn onderwerp van mijn onderzoek geweest. Ik heb o.a. de rol van klemmen en knarsen - orale parafuncties zoals dat heet - bij pijn onderzocht.
Men denkt dat dergelijke activiteiten misschien mede de oorzaak zijn van pijn. Maar uit mijn onderzoeksvragenlijst blijkt dat niet. Ook heb ik een aantal vragen over de opvattingen die patiënten zelf hebben over orale parafuncties, toegevoegd aan een van de vragenlijsten: vindt u zelf nu eigenlijk dat die orale parafuncties de oorzaak zijn van de kaakgewrichtpijn? En als u ze zou moeten afleren, denkt u dat u daartoe in staat zou zijn? Ook wel de Self Efficacy opvatting genoemd. De onderzochte patiënten bleken behoorlijk optimistisch over het veranderen van dat gedrag. Behalve als ze veel klemden dan ging het optimisme achteruit. Ze hebben er dus een realistisch gevoel erover. En dat is eigenlijk heel interessant, want nog niet eerder ontdekt.”
“Regelmatig komen mensen terecht bij behandelaars die de psychologische kant van een klacht niet goed bekijken. Dit kan leiden tot nodeloos ingrijpen. Uiteindelijk zijn die patiënten na vele behandelingen en bijkomende kosten nog veel verder van huis. Dat soort voorbeelden zie ik vaak. Als iemand binnenkomt met een gecompliceerde klacht, die lang duurt en waarvan je bovendien denkt: “de manier waarop die persoon met de klacht omgaat, is niet wat wij gemiddeld vinden; die kan er kennelijk niet tegen”, dan is het heel belangrijk om die psychologische factor aan te kaarten. De maatschappelijke relevantie van mijn onderzoek zit hem dan ook in die kennis over het stellen van de juiste vragen.”
“Door toeval ben ik in dit vak gerold. Toen ik een tijdje geen werk had als klinisch psycholoog, ben ik als freelancer bij Sociale Tandheelkunde trainingen sociale vaardigheden gaan geven; op den duur kreeg ik een vaste aanstelling. Omdat ik klinisch psycholoog ben en psychotherapeut, zijn tandartsen probleempatiënten naar mij gaan doorverwijzen, zoals patiënten die problemen hebben met kokhalzen, maar ook met de kaakgewrichten. Zo ben ik er dus ingerold.”
“Ik heb altijd bij universiteiten gewerkt. Het feit dat dingen onderzocht worden, dat trekt mij aan. Dat vind ik leuker dan op een praktisch instituut werken waar alleen maar therapie wordt gegeven. Het is een fijne levensinstelling als je kijkt, observeert en nagaat hoe de wereld in elkaar zit. Dat maakt voor mij de universiteit de perfecte werkplek.”
Meer informatie
Promotie Marylee van der Meulen
Tekst: Anke Brouwer
datum: 1 december november

