Verkeersongevallen vaakst reden voor botbreuken in middengezicht

13-12-2017

15.45 uur

Aula van de Vrije Universiteit, De Boelelaan 1105, Amsterdam

Midfacial trauma patients: An epidemiological survey

Erik Salentijn

prof. dr. Tymour Forouzanfar, prof. dr. Bert Schulten (beiden Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie VUmc/ACTA)

Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA)

Tandheelkunde

Promotie

Van alle aangezichtsletsels komen botbreuken in het middengezicht het vaakst voor. Breuken die kunnen worden onderverdeeld in breuken van de bovenkaak, het jukbeen, de oogkas en de voorhoofdsholte. Erik Salentijn onderzocht een groep Amsterdammers met dergelijke breuken. Verkeersongevallen waren de belangrijkste oorzaak; gevolgd door geweld. Van alle letsels in het middengezicht, kwamen jukbeenbreuken het meeste voor. De meerderheid van de patiënten die geopereerd moesten worden, bestond uit mannen in de leeftijdscategorie van 20-29 jaar. Patiënten waarvoor een operatie niet nodig was, waren vooral oudere vrouwelijke patiënten. Opereren bleek het vaakst nodig bij patiënten met voelbare onderbrekingen in het aangezichtsskelet en afvlakking van het gelaat als gevolg van een gebroken jukbeen. Toch is verplaatsing van het botstuk alléén geen absolute indicatie voor een operatieve behandeling. De leeftijd, nevenaandoeningen (bijv. ernstige gezondheidsproblemen met narcoserisico’s tot gevolg) en het al dan niet aanwezig zijn van functionele problemen (bijv. beperking van de mondopening en verminderde oogbewegingen) zijn eveneens van invloed op de behandelindicatie.

Botbreuken van de voorhoofdsholte
Bij 8.1% van de patiënten waarbij een operatie nodig was, kwam ook hersenschade voor. Het ging dan vaak om jonge, mannelijke patiënten met aangezichtsletsel als gevolg van een verkeersongeval; met name motor- en scooterongeval. Bij deze groep patiënten komen botbreuken van de voorhoofdsholte het vaakst voor. Dit trekt de barrièrefunctie, en daarmee het kreukelzone-effect van de middengezichtsbeenderen ter bescherming van de hersenen, enigszins in twijfel. Complicaties bij deze getraumatiseerde patiënten komen veel voor en zijn ruwweg onder te verdelen in ‘vroege’ en ‘late’ complicaties met verdere onderverdeling in infectie, bloeding, functionele en cosmetische klachten. Consensus over een classificatie van behandelmodaliteiten in ‘conservatief’, ‘farmacologisch’ en ‘operatief’ zou kunnen leiden tot snellere beslissingen en uiteindelijk een betere uitkomst voor deze patiëntengroep. Een goede samenwerking tussen MKA-chirurgen en neurochirurgen is hierbij van groot belang.