Interview Dick Swaab: “Gewoon een kwestie van een goed ontwikkelde prefrontale cortex"

Op 3 en 4 februari jl. was het weer zover: tandheelkunde wetenschappers uit het hele land konden tijdens de Dental Research Meeting van de IOT-dagen in Lunteren discussiëren, zich laten informeren of zelf onderzoek presenteren. Zoals elk jaar was ook dit jaar een gastspreker uitgenodigd. Deze keer viel de eer te beurt aan Dick Swaab, hoogleraar neurobiologie en beroemd vanwege zijn omstreden onderzoek naar het ‘homo-kwabje’ eind jaren ‘80. Factaal sprak Swaab kort voor zijn gastlezing.

Tekst: Anke Brouwer
Interview: Anke Brouwer en Hans de Soet

Logo pdf Downloaden interview

Dick Swaab (1944) vriendelijk ogende man, brilletje, licht grijze haren, is vastberaden. Hij mag dan wel officieel in juni 2010 zijn afscheidsrede hebben gehouden, als onderzoeker bij het Nederlands Instituut voor Neurowetenschappen (NIN) zet hij zijn onderzoek naar het menselijk brein gewoon voort. Zijn bestseller: ‘Wij zijn ons brein’ is in verschillende landen vertaald. Daarnaast heeft Swaab met een van zijn huidige onderzoeksthema’s opnieuw een taboeonderwerp te pakken: ‘aanleg voor pedofilie’. Het moge duidelijk zijn, de hersenen van Dick Swaab draaien nog steeds op volle toeren. Als we Swaab uitleggen dat we in ons interview ook een link willen leggen tussen zijn hersenonderzoek en de tandheelkunde, geeft hij gelijk aan dat, dat waarschijnlijk lastig wordt. We nemen toch even de proef op de som:

Bestaan er verschillen in het brein tussen een tandarts en een niet-tandarts?
Swaab: “In zijn algemeenheid is het zo dat talent, belangstelling en ook beperkingen in de hersenen worden aangelegd. Een beroepsviolist heeft aantoonbare andere structuren in het brein dan een niet-violist en zo zijn er meer voorbeelden te noemen. Op dit moment is er echter vooral naar extremen gekeken en niet naar de kleine verschillen, zoals tussen een tandarts en niet-tandarts. Dat wil overigens niet zeggen dat ze er niet zijn natuurlijk. Ik denk dat je voor een bepaald vak, een bepaald karakter nodig hebt.” Lachend: “Ik weet alleen niet welk karakter je nodig hebt om tandarts te worden.”

In zijn boek beschrijft Swaab dat de zenuwen in onze hersenen met elkaar verbonden zijn door zo'n 100.000 kilometer zenuwvezels, dat ieder mens circa 100 miljard neuronen in zijn brein heeft, dat ons IQ voor 80% wordt bepaald in de baarmoeder en dat een groot deel (50-80%, afhankelijk van waar je naar kijkt) van onze karaktereigenschappen ook al in de baarmoeder wordt vastgelegd. Voor een deel wordt het karakter bepaald door de genen van onze ouders en voor een deel door omgevingsfactoren zoals: roken en drinken tijdens de zwangerschap. Na de geboorte, zo stelt Swaab, valt er nog weinig te veranderen aan het karakter. Swaab: “Mensen denken vaak dat kinderen nog flink bijgestuurd kunnen worden. Maar vanaf het moment dat ze geboren zijn, hebben ze een bepaald karakter en daar kun je niets meer aan veranderen.”

"Het is altijd een combinatie van genetica, de omgeving en de interactie daartussen."


Is angst voor de tandarts dan ook genetisch bepaald? Met andere woorden ligt een angststoornis ook al in het brein vast?
“Het is altijd een combinatie van genetica, de omgeving en de interactie daartussen. Het is zeker zo dat er een genetische aanleg voor angst bestaat. Die is ook aan te tonen aan de hand van polymorfismen, dat zijn kleine verschillen in het DNA. Het gaat dan specifiek om polymorfismen die te maken hebben met de stress-as. Mensen die daarin die kleine verschillen hebben, zijn angstiger van nature.”

Dat klinkt niet erg hoopvol voor mensen die van hun angst afwillen.
“Je kunt - zeg ik altijd - je karakter niet veranderen. Daarom heet het ook karakter dat betekent ingeslepen, maar je kunt gedrag wel een beetje beïnvloeden; als je heel erg goed je best doet. Dat geldt ook voor de stress-as. Wanneer de stress-as in de vroege ontwikkeling op een hoog niveau is gezet, dan blijft het op een hoog niveau. Maar je kunt er wel voor zorgen dat je reactie wat minder fel wordt.”
“De maakbaarheid in de samenleving is dus een stuk minder groot dan we hoopten in de jaren zestig. Maar er zaten ook slechte dingen aan dat maakbaarheidideaal. Want als er iets misging met een kind dan was de moeder de schuld van alles: een ijskoude moeder kreeg autistische kinderen, moeders met wisselende boodschappen kregen kinderen met schizofrenie, een dominante moeder; een homoseksuele zoon.” Toch kreeg Dick Swaab te maken met telefoonterreur, bommeldingen, demonstraties voor zijn huis en vele dreigbrieven toen hij in 1989 wereldkundig maakte dat homofilie niet is aangeleerd, maar aangeboren.

Er kwam eind jaren ’80 uit uw onderzoek naar voren: je gedraagt je niet als homoseksueel; je bent een homoseksueel. Een deel van de homoscene reageerde negatief op deze ontdekking, zij stelden dat ze nu als afwijking gezien zouden worden. Hoe ging u om met die kritiek?
“Mijn weerwoord was altijd: we hebben allereerst aangetoond dat er verschillen in het brein bestaan tussen mannen en vrouwen: wie heeft dan de afwijking? Ik had eigenlijk verwacht dat deze conclusies zouden helpen bij de acceptatie van homo’s, maar dat bleek bij sommigen niet gelijk het geval.

Toch heeft het u niet weerhouden om door te gaan. Waren alle dreigmails en dergelijke nooit een reden om de handdoek in de ring te gooien?
“Ik vond het vooral vervelend dat mijn kinderen gepest werden op school. Die dreigmails heb ik afgedaan met de opmerking: als ze net zo goed kunnen moorden als Nederlands schrijven, dan is het gevaar nihil (lacht). Het heeft me dus niet  weerhouden, maar ik denk wel dat ik nu voorzichtiger was geweest, kijkend naar de politieke moorden van de afgelopen jaren. Dat was toen nog ondenkbaar.”

U bent nu bezig met onderzoek naar pedofilie…
Ja, daar spelen dezelfde mechanismen een rol. Ik begrijp dat de ouders woest zijn en dat ouders bang zijn wanneer ze jonge kinderen hebben die ze elders onderbrengen, maar je moet je natuurlijk wel afvragen hoe je de problemen kunt verminderen. Je moet er wel over nadenken.

"Zoals er ook een urinekweek gemaakt wordt, moet je ook ideeën hebben over wat echt het probleem is in het brein."


Bij Pauw & Witteman zei u dat er waarschijnlijk meer pedofielen rondlopen dan we denken. Maakt het merendeel van de pedofielen, volgens u, dan een ‘politieke’ keuze om er niets mee te doen?
Nee, ze kunnen hun impulsen beheersen. Dat is geen politieke keuze, maar een kwestie van een goed ontwikkelde prefrontale cortex.

Het zit dus ook al vastgelegd in de hersenen of je er iets mee doet of niet?
(Reageert fel) “Waar zou het anders in moeten zitten?”

Laat ik de vraag anders stellen: het feit dat pedofilie een taboe is, is dus geen reden voor mensen om er niets mee te doen?
“Ja, dat kan een overweging zijn. Maar je moet het zo zien: je moet die impulsen beheersen met een aantal argumenten. En het kunnen beheersen van die impulsen: daar is de een gewoon beter in dan de ander. De pedofielen die in de media komen, zijn een selecte groep. Die groep bestaat uit mensen die hun impulsen niet kunnen beheersen. Er zijn, naar mijn inschatting, veel meer mensen die er wel mee kunnen omgaan. Ook niet alle heteroseksuele mannen verkrachten vrouwen.”

Hoe ziet - met dit in gedachten - uw ideale toekomst eruit? Zouden in de toekomst bepaalde stoornissen beter verholpen kunnen worden, omdat we beter herkennen wat de zwakke plekken zijn in het hersensysteem?
“Mijn toekomstdroom is – wat ik dan noem – een analytisch psychiater. Een psychiatrisch arts die aan de hand van polymorfismen in het DNA, de ziektegeschiedenis en door het bekijken van de veranderingen van neurotransmitters (chemische stoffen die dienen als overbrengers van zenuwprikkels, AB) en hormonen in het bloed tegen een patiënt kan zeggen: “Nou voor u, met uw genetische aanleg en uw geschiedenis en de reactie van uw brein op deze situatie, denken we dat dit het beste geneesmiddel is.”

Betekent uw toekomstdroom dan ook dat medicatie vaker wordt toegediend?
“Nee, juist niet. De meest succesvolle geneesmiddelen voor depressie zijn SS-RI (antidepressiva), zoals Prozac, maar die hebben een placebo-effect van tussen de 45-65%. Die medicijnen zijn dus niet bijzonder effectief. Een depressieve patiënt krijgt nu vaak eerst Prozac. Als dat niet werkt wordt na vier/zes maanden overgestapt op het volgende medicijn. Zo wordt een hele reeks afgewerkt die uiteindelijk misschien iets oplevert dat wel werkt. Ik denk dat we daar zoveel mogelijk vanaf moeten. Zoals er ook een urinekweek gemaakt wordt, moet je ook ideeën hebben over wat echt het probleem is in het brein. Dat geeft je richting aan de medicatie.”

Als we dat idee verder doortrekken zou je dan ook kunnen zeggen dat in de toekomst al in een vroeg stadium - bijvoorbeeld vlak na de geboorte - voorspeld kan worden wat iemand later krijgt?
“Je kunt voorspellingen doen op basis van het DNA. Je moet echter wel incalculeren dat die voorspellingen alleen mogelijk zijn voor groepen en niet voor het individu. Je kunt dus zeggen: dit kind kan - met zoveel meer kans - dat of dat krijgen. Maar het blijven kansen; het geeft dus geen 100% voorspelling. En zo werkt in feite de hele geneeskunde. Je schrijft een medicijn voor omdat je weet dat het voor de groep werkt, maar je weet ook dat een kleine groep er misschien forse bijwerkingen van krijgt; dat er zelfs mensen aan kunnen overlijden. Je weet alleen niet wie. Je handelt dus altijd op basis van informatie over groepen en je weet ook dat je er bij een aantal mensen naast zit.”

Biografie

Dick Frans Swaab

1944: geboren in Amsterdam
1963: eindexamen Amsterdams Lyceum
1970: promotie, Universiteit van Amsterdam (UvA)
1972: artsexamen, UvA
1975 – 2005: directeur Nederlands Instituut voor Hersenonderzoek (NIH)
1978 – heden: leidt Onderzoeksteam Neuropsychiatrische stoornissen, NIH (nu: NIN)
1979 – 2010 hoogleraar neurobiologie, UvA
1985: Oprichter Nederlandse Hersenbank

Swaab begeleidde 76 promovendi, schreef een monografie over de menselijke hypothalamus, ruim 450 papers en 190 hoofdstukken in verschillende boeken. Hij is redacteur van het Elsevier Handboek van Klinische Neurologie en gastprofessor aan vier Chinese universiteiten. Hij ontving vele prijzen en schrijft voor een breed scala aan kranten en tijdschriften: van Nature tot NRC Handelsblad. Zijn meest recente publicatie voor een Zijn meest recente publicatie voor een algemeen publiek: 'Wij zijn ons brein’ (2010), Uitgeverij contact, €24,95.