Interview Sue Gibbs: “Je zoekt naar de juiste balans voor elk type wond tussen de verschillende cellen met elk een andere eigenschap”

Regenwormen, kikkers, insecten, zeekomkommers, wandelende takken,sponzen, kwallen, en zelfs mensen kunnen het van nature: het repareren en vervangen van weefsel. Stel dat een regenworm op een dag voor een deel wordt opgegeten door een vogel, dan bestaat er een grote kans dat het andere deel van de regenworm weer aangroeit; zolang de voorkant grotendeels onbeschadigd blijft. En ook mensen kunnen het: een lever groeit weer aan wanneer hij voor een deel is getransplanteerd. Hoe handig zou het zijn wanneer je dit proces kunt manipuleren in een labomgeving. Dan heb je bijvoorbeeld geen donornieren meer nodig, en kun je medicijnen testen op een zelf aangemaakt menselijk orgaan of weefsel; proefdieren zijn dan niet meer nodig en het resultaat is betrouwbaarder.

Daarom houden verschillende wetenschappers zich al enkele jaren bezig met regeneratieve geneeskunde, een relatief nieuw onderzoeksveld dat in de jaren negentig van de vorige eeuw is opgekomen. Het veld richt zich op de vraag hoe het natuurlijke vermogen van het lichaam om weefsels en organen te herstellen kan worden gestimuleerd of gesimuleerd. Sinds juli 2012 heeft ook ACTA een hoogleraar die zich met dit vakgebied bezig houdt. Haar naam: Sue Gibbs. En hoewel haar geboortegrond in Engeland ligt, woont ze alweer jaren in Nederland. Ze is een typisch voorbeeld van de bevlogen wetenschapper die ook nog eens vol zit met ideeën. Zoveel dat het haar beter leek om die ideeën maar te gaan delegeren; wat goed kan nu ze hoogleraar is. En zoveel, dat in haar werkkamer – waar het interview plaatsvindt – de volgende tekst aan het prikbord hangt: “I’m busy trying not to see an idea in every tree I see.”

Tekst: Anke Brouwer

 Logo pdfDownload het interview

Hoe ziet een gemiddelde werkdag van een hoogleraar regeneratieve geneeskunde eruit?

“Een lastige vraag. Een dag zegt zo weinig. Je kunt beter vragen naar mijn werkweek.”

Uw werkweek dan…
“Ik werk vier dagen in het ziekenhuis en één dag thuis. Die vier dagen zitten vooral vol met heel veel vergaderingen. Allereerst het overleg met onze afdeling en daarnaast de verschillende overleggen met andere afdelingen, om ideeën uit te wisselen en te weten van elkaar wat er speelt. En tussendoor ben ik papierwerk aan het invullen en – heel belangrijk – staat mijn deur altijd open voor de promovendi met vragen. Ik bekijk dan bijvoorbeeld of een bepaalde onderzoeksopzet werkt of niet.”

Werkt u zelf nog wel eens in het lab?
Gibbs lacht: “Nee, daar willen ze me niet meer in hebben.”

Wat heeft u misdaan?
“In mijn huidige functie voer ik zelf geen experimenten meer uit. Ik weet nog wel hoe je een kweek moet maken – dat heb ik jaren gedaan – maar ik weet niet meer hoe alle nieuwe apparatuur werkt; wat is nu het aan/uitknopje enzovoorts.”

Vindt u dat jammer?
“Nee. Je groeit naar een nieuwe positie toe. Ik heb heel lang in het lab gewerkt, maar op een gegeven moment krijg je zoveel ideeën; dan kun je het niet meer in je eentje doen."  Lachend: “Nu heb ik de ideeën en voeren andere mensen het experiment uit.”

Wat houdt uw vakgebied in, kunt u daar kort iets over vertellen?
“Binnen ons onderzoeksgebied, kun je twee kanten op: het lichaam herstelt haar eigen schade en dat bevorder je door bijvoorbeeld stamcellen te plaatsen in de wond, of andere stoffen die de huid stimuleren om te herstellen. Of je kweekt levende cellen van een patiënt op en bouwt daarmee een nieuwe huid voor de patiënt, ook wel tissue engineering (weefselopbouw, AB) genoemd. Je creëert heel veel cellen op basis van slechts enkele originele cellen.”

“We willen die muren helemaal wegslaan!”


En wat betekent dat voor patiënten?

“Op dit moment is de overlevingskans voor mensen met brandwonden groot, maar de littekens die overblijven zijn vreselijk. Daarom zijn we gestart met een onderzoeksproject om die mensen te helpen. We hopen dat we met het plaatsen van de opgekweekte huid over de wond het aantal littekens kunnen verkleinen; op dit moment zijn we de resultaten van dat onderzoek aan het analyseren. Onze stelling is als volgt: de behandelaar ‘kaasschaaft’ gezonde huid van de patiënt en creëert daarin vele kleine gaatjes, zodat die huid 4-9 keer groter kan worden. Dat legt hij over de wond om die te laten helen. Maar die kleine gaatjes kunnen ook resulteren in flinkelittekens en die plekken vullen wij dan op met het weefsel dat we hebben opgekweekt in het lab. Zo verdwijnt een groot deel van de littekens. En omdat het lichaamseigen cellen zijn, stoot het lichaam die huid niet af.”

“Het ingewikkelde van tissue engineering is dat je goed moeten weten welke cellen je opkweekt. Je hebt cellen die zeer actief zijn, die voor een zeer snel herstel zorgen en daarom geschikt zijn voor de genezing van zweren. En je hebt cellen, van bijvoorbeeld de opperhuid, die meer rustig stilzitten en brandwonden goed genezen. En die cellen communiceren met elkaar. Wat je nu wilt, is de balans tussen die soorten cellen vinden. Een overactief opgekweekte huid zorgt bijvoorbeeld voor een snelle genezing van zweren, maar bij een brandwond zouden daardoor littekens ontstaan. Je zoekt daarom naar de juiste balans voor elk type wond tussen de verschillende cellen met elk een andere eigenschap.”

Tijdens uw oratie stelde u de vraag: ‘waarom genezen wonden in de mond beter dan op de huid?’ Hoever bent u intussen met het beantwoorden van die vraag?
“Onze belangrijkste vraag is op dit moment: waarom werkt genezing in de mond sneller, hoe kan dat? In de mond zit bijvoorbeeld speeksel, waarin veel peptiden zitten (een peptide is een molecuul dat bestaat uit een kleine keten van aminozuren, AB). Die stimuleren mogelijk de wondheling. Daarnaast kunnen cellen in de mond zich sneller delen dan die van de huid, maar weten we niet waarom. Ook het immuunsysteem in de mond is anders, en dat kan ook een rol spelen. We vergelijken op dit moment huidcellen met orale cellen en hopen over een tijd antwoord op onze vraag te vinden.”

Hoe lang gaat dat duren?

Over vijf jaar moeten we daar wel een antwoord op hebben.

Zullen wonden op de huid dan ook sneller genezen?
Nee, niet gelijk. Dan zijn we weer een paar jaar verder. Als we weten hoe het mechanisme werkt, dan kunnen we vanaf daar verder zoeken naar de toepassing ervan.

“De lijst is niet kleiner omdat je een vrouw bent”


Sue Gibbs studeerde ooit biochemie aan de universiteit van Sheffield. Na het behalen van haar bachelor wil ze ontwikkelingswerk gaan doen, maar op advies van een docent besluit ze eerst werkervaring in Europa op te doen. Nederland wordt het land waar ze terecht kan en dat bevalt zo goed “zowel het land als de mensen” dat ze nooit meer is weggegaan. Via haar eerste baan: “Een ontzettend leuke technische wetenschappelijk baan bij de Universiteit Leiden,” komt ze in aanraking met genetica, en huid- en kankeronderzoek. En zo raakt ze ook geïnteresseerd in tissue engineering. Wanneer er in 2000 een baan bij het VUmc beschikbaar komt – waarbij ze zich met dit laatste kan bezighouden én met wondgenezing, haar tweede interesse – is de stap snel gezet: “ Via de wondgenezing kwam ik weer uit op de vraag: hoe kan het dat de wonden in de mond beter en sneller genezen dan die op de huid?” En toen was ook de stap naar ACTA snel gezet.
Gibbs is – naast internationaal georiënteerd – ook een groot voorstander van meer samenwerking tussen de verschillende wetenschappers en afdelingen. Samen met Theo Smith, de trekker van het project, startte ze het Centre for Translational Regenerative Medicine (CTRM).

Jullie zijn onlangs het CTRM gestart, wat houdt dat in?
“Het idee erachter is onderzoekers en clinici op de hele VU-Campus – en we breiden momenteel ook uit naar het AMC – bijelkaar brengen. Zodat we van elkaar leren, zodat we van elkaars bestaan weten, en om bruggen te slaan tussen het instituut, tussen de wetenschappers en tussen de afdelingen. Veel wetenschappers zijn bang voor de competitie van de buren en dat willen we niet meer. We willen die muren helemaal wegslaan!”
“Daarnaast willen we de link met clinici versterken. Zij vertellen ons wat ze nodig hebben en welke klinische problemen er spelen. Wij, de wetenschappers, kunnen vervolgens de oplossing zoeken en vinden. Het is echt een ‘two-way’. Zo ontstaat er transparantie op de campus en juist dan krijg je veel meer samenwerking en vindt alles op een hoger niveau plaats.”

“Ik werwacht dat proefdieren in de toekomst niet meer nodig zijn”

 
U zegt op een hoger niveau. Is er intussen al iets bedacht of ontstaan waarvan u zegt: ‘dat had zonder de samenwerking niet gekund?’

“CTRM zit nu in haar eerste jaar en het eerste symposium was in januari. Daarover valt dus nog weinig te zeggen, maar wat me nu al opvalt is dat je veel meer van elkaar te weten komt. Om een persoonlijke ervaring te noemen: ik heb nu veel meer contact met kaakchirurgie, met het hoofd kaakchirurgie Tim (Forounzafar, AB) en met kaakchirurg Bert (Schulten, AB) en dat had ik daarvoor niet. Ze zaten weliswaar naast mijn lab, maar ik sprak nooit met ze. En nu werken we heel goed samen met de voorbereiding van een klinische studie vanuit ACTA.
Ook voor onze promovendi is de samenwerking goed. Ze beginnen nu ineens over 3D-printing, terwijl ze daar eerst niets over wisten.”

Al dat samenwerken klinkt goed, maar zijn wetenschappers ook niet terecht bang voor die competitie met de buren?
“Zolang er kanker bestaat, zolang er littekens bestaan, kan geen onderzoeker de oplossing ervan claimen en zeggen: ‘dat idee is van mij’. Dergelijke grote problemen kun je gewoonweg niet in je eentje oplossen; daar heb je anderen bij nodig. Maar als een wetenschapper het lekker in zijn eentje wil doen dan moet hij vooral op dat eilandje blijven.”

U bent nu alle geruime tijd bezig met regeneratieve geneeskunde. Waarom vindt u juist dit onderzoek zo interessant?
“Veel wetenschappers zullen zeggen: ‘het is de puzzel die ik interessant vindt en het oplossen van die puzzel; ongeacht het soort onderzoek’. En ja, dat vind ik ook, maar wat ik minstens zo belangrijk en interessant vindt, is het feit dat je met dit onderzoek mensen echt kunt helpen. Als wij een oplossing vinden voor het wondgenezingsproces dan betekent dat veel voor onze patiënten. Bovendien kunnen we met dit onderzoek ervoor zorgen dat er in de toekomst geen donorhuid meer nodig is. We kunnen dan een volledige huid opkweken. En dat geldt ook voor het kweken van organen; al gaan die ontwikkelingen minder snel.”

En hoe zit dat met het testen van medicijnen? Kan dat ook op gekweekte huid en organen?
“Ik verwacht dat proefdieren in de toekomst helemaal niet meer nodig zijn. Nu is het al verboden om proefdieren in te zetten voor het testen van cosmeticaproducten; in de toekomst moet dat voor al het proefdieronderzoek gelden. Naast de voordelen op ethisch gebied, betekent het ook dat je op menselijke cellen kunt testen en dat geeft veel betere resultaten dan dierproeven. Op dit moment zijn we daarom, in samenwerking met Dr. Tanja de Gruijl (Medische Oncologie) en Philips Research, bezig met een onderzoek naar ‘skin-on-achip', dat zijn nagebootste interacties tussen de huid en specifieke immuuncellen. Het doel is om lichaamscellen van de patiënt op te kweken en daarop de medicijnen te testen. Zo kun je nagaan welke medicijnen aanslaan en welke niet. En dat heeft grote voordelen voor de behandeling van – bijvoorbeeld – kankerpatiënten.”

U bekleedt de Fenna Diemer Lindeboomleerstoel, bedoeld om “Vrouwelijk talent te stimuleren.” Moeten vrouwelijke wetenschappers worden gestimuleerd?
“Hmm, dat is een lastige vraag. Dat wat je als vrouwelijke hoogleraar moet produceren is precies hetzelfde als dat van een man. De lijst die je moet inleveren, is niet kleiner omdat je een vrouw bent. Maar om eerlijk te zijn, denk ik dat minder vrouwen het niveau van die prestaties bereiken, omdat ze kinderen hebben. Dat is gewoon zo. Je CV vertraagt. Dat staat los van de Fenna Diemer Lindeboomleerstoel; mijn CV is niet minder sterk, omdat ik deze leerstoel bekleed.”

En als u terugkijkt op wat u allemaal heeft bereikt; wat is dan het beste advies dat u kreeg?
“Dat was toen ik de beslissing moest nemen: ‘ga ik terug naar Engeland of blijf ik in Nederland waar ik me met tissue engineering kan bezig houden?’ Op dat moment zei iemand: ‘volg je hart, doe wat je leuk vindt’. Lacht: “En zo ben ik in Nederland gebleven.”

Wat wilt u jonge wetenschappers en studenten nog meegeven?
“ Ja, datzelfde: je moet doen wat jíj wilt. Dat is niet altijd gemakkelijk, maar zoek die oplossing.”

Biografie

Celbioloog & Moleculaire bioloog

2012-heden: Fenner Diemer Lindeboom leerstoel: hoogleraar huid en slijmvlies in de regeneratieve geneeskunde, gedeelde positie met de afdeling dermatologie van het VUmc en Orale Celbiologie van ACTA.
2006-2012: Universitair Hoofddocent (UHD): ‘Skin Tissue engineering for wound healing and in vitro assays’. Hoofd van het dermatologisch laboratorium, VUmc
2001 - 2006: Universitair docent (UD), onderzoek: ‘Skin Tissue engineering for wound healing and in vitro assays’. Hoofd van het dermatologisch laboratorium, VUmc
2006-heden: Hoofd onderzoek en Ontwikkeling (CSO) A-SkinBV
2000 - 2001: Postdoc, afdeling dermatologie, VUmc, onderzoek: ‘Tissue engineered skin for wound healing and in vitro assays’.
1993 - 2000: Postdoc, afdeling dermatologie, Leids Universitair Medisch Centrum, onderzoek: ‘Ontwikkeling van ‘in vivo achtige’ menselijke equivalenten van de menselijke huid’.
1992: Postdoc, Universiteit Leiden. afdeling Moleculaire Genetica, onderzoek: ‘Interference of UV light with gene regulation in epidermal keratinocytes’.
1986-1987: Technicus, laboratorium voor medische biochemie, Universiteit Leiden.
1987-1991: Promotie Universiteit van Leiden, Moleculaire Genetica
1987: Doctoraal Chemie, Universiteit van Leiden.
1982-1985: Bachelor of Science Degree (honours 2i) in Biochemie, met menselijke fysiologie als bijvak. Sheffield University, Engeland