Interview Erik Scherder: “Als er bovenin iets misgaat, dan is de impact gigantisch”

Net als voorgaande jaren won ACTA dit jaar goud tijdens de AMCbedrijvenloop. Ook ACTA-Open Golf is een jaarlijks terugkerend verschijnsel, en na jaren van afwezigheid werd dit jaar ACTA-bedrijfshockey nieuw leven ingeblazen. Tel daarbij het groot aantal fietsen in de fietsenstalling op en je kunt stellen dat ACTA aardig in beweging is. En dat is goed. Want bewegen zorgt er niet alleen voor dat je de kans op hart- en vaatziekten en diabetes verkleint en je lichamelijke conditie verbetert, ook de conditie van je hersenen verbetert. Door te bewegen pompt je hart het bloed beter rond; ook naar je brein. Dat stimuleert de aanmaak van nieuwe hersencellen en de groei van het aantal verbindingen tussen de hersencellen onderling. Je geheugen werkt daardoor beter, je kunt je beter concentreren, je impulsen beter controleren, je kunt beter plannen én problemen oplossen. En daar houdt het niet op: bewegen (met een zekere inspanning) zorgt ook voor de afgifte van serotonine en dopamine. Daardoor voel je je prettiger en wordt de kans op psychische stoornissen zoals een depressie of alzheimer kleiner.

Na al dit goeie nieuws, zou je denken dat iedereen zich braaf aan de beweegnorm houdt van dagelijks (ook in het weekend!) een half uur semi-intensief bewegen, zoals fietsen of flink doorstappen. Toch haalt slechts veertig procent van alle Nederlanders die norm, tot grote frustratie van VU-hoogleraar Neuropsychologie Erik Scherder. Zijn onderzoek richt zich op de effecten van bewegen op de hersenen en die van alzheimerpatiënten in het bijzonder.

Tekst: Anke Brouwer

Adobe pdf  Download het interview

Scherder werd in één klap een bekende Nederlander toen hij in De Wereld Draait Door de tafel van Matthijs van Nieuwkerk beklom om te demonstreren wat de gevolgen zijn van een herseninfarct. Zijn colleges voor de Universiteit van Nederland en DWDD-University worden zeer goed bekeken. De Rijksuniversiteit van Groningen verkoos hem in 2008 zelfs tot docent-van-het-jaar en in 2009 won hij de VU-onderwijsprijs. Hij schreef een boek over het belang van bewegen voor de hersenen: Laat je hersenen niet zitten en won 17 juni dit jaar de Betto Deelman prijs vanwege zijn: “uitzonderlijke verdiensten als neuropsycholoog.” Hij is onder andere ambassadeur van de Nationale Traploopweek, maar zijn hart gaat vooral uit naar alzheimerpatiënten. En precies vanwege dat onderwerp, werkt Erik Scherder nauw samen met ACTA-hoogleraar Frank Lobbezoo van Orale Kinesiologie. Het belang van de mondgezondheid voor deze patiënten is namelijk groot als je bedenkt hoe belangrijk kauwen is voor het brein. We nemen een proef op de som en vragen Scherder in zijn flink gevulde werkkamer allereerst naar onze eigen prestaties op sportief gebied.

Ik fiets elke dag een half uur naar mijn werk, wandel in de pauze en ga één keer in de week naar yoga. Ben ik goed bezig?
“U haalt de beweegnorm ruim en dat is mooi. Maar als u elke dag lang achter elkaar zit, stijgt uw bloedsuikerspiegel en dat is niet gunstig. Dan neemt de kans op hart- en vaatziektes, suikerziektes en kanker alsnog toe. Je moet dus zowel de beweegnorm halen als niet te veel zitten. Tussendoor blijven bewegen, zou mijn advies aan u persoonlijk zijn.”

Dat klinkt best verontrustend. Wat kan ik doen om tussendoor meer beweging te krijgen?
“Ikzelf heb hier een fiets staan.” En inderdaad achter een tweede bureau op zijn werkkamer staat een hometrainer. “Al fietsend, werk ik achter mijn laptop. Maar je kunt ook extra gaan traplopen, terwijl je aan het bellen bent bijvoorbeeld. En het rondje lopen tijdens de lunchpauze is heel goed, maar maak niet elke dag hetzelfde rondje.”

Waarom niet?
“Wandelen is goed, stevig doorstappen - zodat je je hart voelt kloppen - is beter en stevig doorstappen in een verrijkte omgeving is nog beter. Daarmee bedoel ik dat de omgeving uitdagend moet zijn voor je hersenen: je gaat stoep op, stoep af, ontwijkt hier en daar een fiets. Maar als je elke dag hetzelfde rondje loopt, ken je die op- en afstapjes wel. Het moet uitdagend blijven. Maak dus elke dag een ander rondje.”

“Waarom is alles zo idioot gemakkelijk?”


Tegenwoordig krijgen we meer prikkels binnen dan vroeger. Is dat gunstig?

“Mensen roepen wel eens: ‘u heeft het altijd over een verrijkte omgeving, al die prikkels zijn dus goed’. Maar het filtersysteem is nog groeiende tot je dertigste. En door de vele prikkels, van sociale media en dergelijke, werkt je filtersysteem minder goed. Er is nog geen onderzoek gedaan naar de effecten ervan, maar studenten in de collegezaal zijn wel onderzocht. Daaruit blijkt dat studenten – die tegenwoordig hun laptop meenemen naar college en geen pen en papier – om de drie a vier minuten een nieuw scherm openen. Je kunt dan denken: ze zijn zeer geïnteresseerd. Maar meestal bekijken ze hun facebook, hun mail of andere zaken tijdens het college. Kun je dan nog geconcentreerd opletten? Ik vraag mijn eigen studenten vaak of ze tijdens het studeren echt alléén studeren, en dan steekt slechts een klein deel de hand op.”

Verandert je filtersysteem naarmate je ouder wordt?

“Het wordt er helaas bij het ouder worden niet beter op. Hoewel daar nog absoluut geen bewijs voor is, zijn er mensen die beweren dat al die technologische ontwikkelingen tot meer alzheimerpatiënten leidt. We hoeven immers minder na te denken; worden cognitief luier. Om een paar voorbeelden te geven: het navigatiesysteem in mijn auto wijst me de weg; als ik iets niet weet, zoek ik het op in Google; al mijn telefoonnummers staan in mijn mobiele telefoon, ik hoef er niet eentje uit mijn hoofd te leren. En dan die reclames tegenwoordig over automatisch inparkeren. (fel) Dat is echt onzin, je kunt toch zelf inparkeren, doe ‘es moeite! Waarom is alles zo idioot gemakkelijk! (zucht) Ik zeg niet dat het per definitie slecht is, maar de literatuur is helder. Als ik me meer moet inspannen, doe ik mijn brein er een groot plezier mee.”

Toen Erik Scherder tien jaar geleden naar congressen kwam om zijn pleidooi voor meer bewegen te houden, werd hij nog voor “idioot” uitgemaakt: “Je hoorde de mensen in de zaal zuchten: ’daar heb je hem weer over dat bewegen’. Maar desondanks was Scherder dolblij. Hij kon zijn lievelingsvak uitoefenen. Hij mocht naar congressen, dat was al heel wat. De jaren daarvoor was hij in zijn vrije tijd bij de VU gepromoveerd en een baan als onderzoeker zat er niet in. De eerste jaren werkte hij als “gewoon” docent: “dat zit qua status zo’n beetje in de kelder.” Maar Scherder zette door. Hij gaf overdag zijn enthousiaste colleges en werkte ’s avonds aan zijn eigen onderzoek. Met veel plezier, maar wel tot ongenoegen van zijn gezin. Die vroegen zich af wie er op zijn onderzoek zaten te wachten. “Maar ik zag het bescheiden belang er wel van in.” Uiteindelijk kreeg Scherder meer geluk. Er kwam een baan vrij en al snel werd hij aangesteld als bijzonder hoogleraar. Intussen zien meer mensen dat ‘bescheiden belang’ in; ook de politiek. En dat is verstandig volgens Scherder, want onderzoek wijst uit dat als iedereen zeven dagen per week een half uur actief beweegt, dat 8,6 tot 14 miljoen alzheimerpatiënten per jaar wereldwijd kan schelen. Maar alzheimerpatiënten zelf hebben ook meer baat bij bewegen. Daarom pleit Scherder óók voor vast voedsel in de te tehuizen, want van vast voedsel ga je kauwen, en kauwen is ook een manier van bewegen.

Kauwen is ook bewegen zegt u, maar hoe verhoudt zich dat met wandelen of hard lopen?

“Actief bewegen is goed voor je hart- en bloedvaten, voor je nieren je lever enzovoorts. Maar met alleen kauwen gaat je hart - frequentie ook al omhoog. En de doorbloeding van een van de grootste vaten, daar waar een hartinfarct plaatsvindt, neemt toe. Daarnaast treden bij kauwen dezelfde effecten op als bij andere vormen van bewegen, zoals: een betere concentratie, het verminderen van stress en het verbeteren van het werkgeheugen.”

“Alzheimerpatiënten zijn het afvalpuntje van de gezondheidzorg”


Om goed te kauwen, heb je een goed gebit nodig. Hoe belangrijk is de mondgezondheid?
“Die is cruciaal. Er bestaat mogelijk een link tussen parodontitis en alzheimer. En kauwen met een kunstgebit kan lastig zijn. Sommige ouderen met een kunstgebit kauwen bijvoorbeeld twee keer: een keer óp het gebit en een keer mét het gebit, zeggen wij altijd. Gelukkig heeft de nieuwste generatie ouderen vaak nog (een deel van) het eigen gebit. En er worden mooie initiatieven genomen om de mondgezondheid van mensen met een dementie te verbeteren, zoals de mond niet vergeten van Frank Lobbezoo (ACTA, red.) en Dyonne Broers (SBT, red.). Topmensen. Maar het is niet goed genoeg, helaas.

Hoezo?
Een project dat wij zijn gestart, is totaal mislukt. We vroegen een tehuis de ouderen vast voedsel te geven. Dat deden ze niet. We vroegen ze de ouderen elke dag te tandenpoetsen, het
gebeurde gewoon niet.”

Waar lag dat aan?
“Als je als verzorger je tanden slechts af en toe poetst, nooit of soms naar de mondhygiënist gaat, je zelf overgewicht hebt, en je niet inziet dat kauwen ook bewegen is, dan zie je wellicht ook niet in waarom die dingen voor de mensen met een dementie belangrijk zijn. Overigens is dit niet bedoeld als kritiek op de verzorgenden, ik heb het allergrootste respect voor hen.”

U zegt eigenlijk: verzorgers moeten eerst zélf het belang ervan inzien?
“Juist. Dat zou een enorme stap vooruit betekenen.”

Wat kunnen tandartsen doen om de gebitten van deze ouderen te verbeteren?
“Tandartsen moeten de liefde kunnen opbrengen om deze specifieke patiënten te helpen. Oudere patiënten zijn ingewikkeld om te verzorgen, zeker wanneer ze ook aan dementie lijden. Ze kunnen het moeilijk aangeven wanneer ze pijn hebben, ze klemmen hun tanden op elkaar, ze doen hun mond niet open. Ik heb foto’s gezien van een patiënt die zes maanden zijn plaatje niet had uitgedaan. Het tandvlees was compleet ontstoken. Die man kon niet meer kauwen van de pijn. Patiënten met dementie zijn het afvalpuntje van de gezondheidzorg.”

Hoe kan dat veranderen?
(stilte) “Dat is een lastige vraag. Het vakgebied, gerodontologie, opnemen in de opleiding helpt. Frank (Lobbezoo, red.), is daar voor de tandheelkunde nu mee bezig. Maar het zou natuurlijk helemaal mooi zijn wanneer het een vast onderdeel in het curriculum wordt. Zo kunnen studenten enthousiast worden voor het veld.”

U studeerde eerst fysiotherapie. Waarom bent u daarna neuropsychologie gaan doen?
“Dat had een simpele reden. Ik werkte als fysiotherapeut in de Valeriuskliniek, een klein neurologisch en psychiatrisch ziekenhuis. Omdat het zo klein was, mocht iedereen overal bij zijn. Fantastisch! Als fysiotherapeut mocht ik neurologische operaties bijwonen. Zo leerde ik over de impact van neurologische aandoeningen.”

Kunt u een voorbeeld geven?
“Eén van onze patiënten had een klein infarct gehad in het voorste gebied van de hersenen. Ze was altijd een lief moedertje geweest. Maar door het letsel, schreeuwde ze ineens de meest verschrikkelijke dingen over de afdeling. Dat wil je echt niet met je moeder meemaken. Haar kinderen waren wanhopig. Ze vroegen zich af: is dit mijn moeder nog? Wat blijft er over als herinnering: een scheldende moeder? Ik leerde al snel: zodra er iets misgaat hierboven dan is de impact gigantisch.”

En wat zou u onze studenten nog willen meegeven?

“Zet je hart open voor ouderen met en zonder dementie. Denk niet, dat is mijn ‘pakkie an’ niet. Het is een geweldig veld waarin je inhoud kan geven aan je leven. (lacht) Zo, dat was mijn laatste stichtelijke advies.”

Biografie


Prof. dr. Erik Scherder

2016 - 2016: Betto Deelmanprijs
2015 - 2015: werkt mee aan DWDD University
2013 - 2013: werkt mee aan de Universiteit van Nederland
2009 - 2009: VU-onderwijsprijs
2008 - 2008: Docent-van-het-jaar, Rijksuniversiteit Groningen
2009 - heden: hoogleraar, Vrije Universiteit
2004 - heden: hoogleraar, Rijksuniversiteit Groningen
2002 - 2004: bijzonder hoogleraar, Vrije Universiteit
2000 - 2002: docent, Vrije Universiteit
1989 - 1995: promotie Neuropsychologie
1984 - 1989: opleiding Neuropsychologie, Vrije Universiteit
1979 - 2000: fysiotherapeut bij de Valeriuskliniek
1975 - 1979: opleiding fysiotherapie