Interview Lannie Ligthart: "Het zou mooi zijn wanneer we minder in hokjes gaan denken"

Schuin tegenover het ACTA-gebouw in het Transitorium van de Vrije Universiteit bevindt zich het tweelingenregister; een van de belangrijkste internationale databanken voor genetisch onderzoek van hoogleraar Dorret Boomsma. Sinds Dorret Boomsma er vijfentwintig jaar geleden mee startte, hebben zich zo’n 50.000 twee, drie en meerlingen met hun gezinsleden ingeschreven. Dankzij dit register is het mogelijk te onderzoeken waardoor er verschillen tussen mensen ontstaan: ontstaan ze door de omgeving of door de genen. Oftewel, is het nurture of juist nature?

Tekst: Anke Brouwer

Logo pdf  Download het interview
 
Op de tweede verdieping van het Transitorium vlakbij de plek waar het tweelingenregister zich bevindt, zit de kamer van Lannie Ligthart (31). Zij is één van de onderzoekers die gebruik maakt van deze database voor haar onderzoek. Zij stelt zich de nature/nurture vraag vooral als het om depressie, pijn en angst gaat. Circa 82.000 mensen in Nederland leden het afgelopen jaar aan een depressie, zo vermeldt het Nationaal Kompas Volksgezondheid.
Maar nog interessanter is het gegeven dat tandartsen vaker aan een depressie zouden lijden dan andere beroepsgroepen, zoals kunstenaars en artsen. Dit wordt al enkele jaren beweerd in de media, maar is tot nog toe nooit wetenschappelijk bewezen. “Deze gedachte is gebaseerd op nogal onvolledig onderzoek in sommige staten van de VS, waarbij enkele suïcidegevallen bij tandartsen de percentages spectaculair deden stijgen,” zegt Ronald Gorter (Sociale tandheelkunde), hierover. “Die cijfers  verschenen in een grote krant, en blijven nu herhaald worden.”
Goed dus om hierover eens een deskundige te spreken. Maar er is nog een reden om met Ligthart om tafel te gaan zitten. Zij is namelijk niet de enige onderzoeker die gebruik maakt van het tweelingenregister.
Binnen ACTA zijn er al verschillende wetenschappers die de weg naar het Transitorium weten te vinden, waaronder universitair hoofddocent Corine Visscher en hoogleraar Ad de Jongh die, via de onderzoeksschool, AIO Caroline van Houtem wist aan te trekken voor dit onderzoek. Sterker nog: zij werken samen met Lannie Ligthart.

"Frappant om te zien hoe ontzettend veel pijn depressieve patiënten hebben"

Je onderzoekt eigenlijk een soort kip-ei-probleem: wat was er eerder, de pijn of de depressie. Kun je daar meer over vertellen?
“Door mijn promotieonderzoek naar depressie en migraine, kwam ik erachter dat depressieve mensen veel vaker migraine hebben en migraine patiënten veel vaker een depressie. Intuïtief denk je dan: ‘Je hebt langdurig migraine en daar gaat je kwaliteit van leven zo van naar beneden dat je uiteindelijk depressief wordt.’ Maar is dat ook zo?
Om dit verder te onderzoeken, ging ik samenwerken met een grote depressiestudie, de NESDA studie, en die bleek veel gegevens over andere soorten pijn in de studie te hebben opgenomen, zoals: rugpijn, nekpijn en pijn op de borst. Ik vond het heel frappant om te zien hoe ontzettend veel pijn depressieve patiënten hebben. Toen besloot ik die verbanden te onderzoeken.”

Jij werkt in je onderzoek vooral met tweelingen-gegevens, wat is de reden daarvan?
“Het tweelingregister is heel breed. Er staan niet alleen veel tweelingen ingeschreven, maar ook hun ouders, broers, zussen en partners, kortom: iedereen rondom de tweeling. Daardoor kun je heel mooi de erfelijkheid van bepaalde eigenschappen, de invloed van ouders op kinderen en de invloed van partners op elkaar bestuderen. Daarnaast kun je onderzoeken hoe vaak iets voor komt en hoe iets met elkaar samenhangt. Eigenlijk kun je de meest basale vragen stellen; van onderzoek op het gebied van persoonlijkheid, gezondheid en gewoonte tot medische aandoeningen.”

Bij het tweelingenonderzoek draait het vooral om de kennis over nature en nurture. Is er al iets bekend over de genetische factoren die een rol spelen bij depressie?
“Depressie is - als je in onze data kijkt - voor zo’n veertig tot vijftig procent erfelijk. Afhankelijk van hoe je het meet. Dus het is middelmatig erfelijk, zeg maar.”

"De genen die angst beïnvloeden zijn min of meer hetzelfde als de genen die depressie beïnvloeden"


Mensen zeggen wel eens: ‘oh ik voel me zo depressief,’ maar wanneer is er echt sprake van een depressie?
“Er bestaat een lijstje met criteria om een diagnose te stellen. Een x-tal van zoveel symptomen gedurende minimaal een aantal x weken. Dan voldoe je aan de criteria voor een klinische depressie, zoals neerslachtigheid, gebrek aan energie.
Goh, ik zou het lijstje er bij moeten zoeken. Eh... (denkt na) bang zijn, je veel zorgen maken, slaapproblemen en minder of juist meer gaan eten. Maar waar je die grens trekt is altijd triviaal. Iemand die net niet aan alle criteria voldoet, maar er wel veel last van heeft, heeft natuurlijk net zo goed recht op een behandeling. Pijnklachten staan niet in de officiële criteria, maar als je vraagt: ‘Heeft u pijnklachten?’ Dan zegt zeventig procent: ‘Ja’. Dus er is wat voor te zeggen om ook dat als criterium op te nemen.”

Waarom gebeurt dat nu nog niet?
“Het is nog niet algemeen geaccepteerd. En het is nog niet bewezen dat pijn een symptoom kan zijn van depressie. Het is eigenlijk nog een hypothese. Maar ik denk ook dat het historisch zo is gegroeid, omdat het lichaam van oudsher is gescheiden van de geest. Je hebt gevoelens en je hebt lichamelijke klachten.”
Zoals in de inleiding genoemd, werkt Lannie Ligthart voor haar onderzoek onder andere samen met ACTAwetenschappers Ad de Jongh, Caroline van Houtem en Corine Visscher. Ligthart: “Ad de Jongh wilde met name weten of verschillende soorten angst voor de tandarts erfelijk zijn. Caroline van Houtem onderzoekt vooral de genetische basis van angst voor tandheelkundige behandelingen. En tweelingen zijn natuurlijk bij uitstek een ideale populatie om die onderwerpen te onderzoeken.”
De Jongh en Ligthart sloegen de handen ineen en stelden samen een vragenlijst voor hun onderzoek op. De interesse van Visscher ligt vooral op het gebied van kaakpijn. Ligthart: “Haar onderzoek ligt dus vrij dicht bij dat van mij. Maar in feite ligt dat onderzoek van Ad de Jongh ook heel dichtbij, omdat angst ook een grote rol speelt bij het ontstaan van pijnklachten. Het haakt dus heel mooi in elkaar.”

Is er dankzij jullie samenwerking al iets interessants naar boven gekomen?
“Wat Corine Visscher onder andere heeft bekeken is de erfelijkheid van kaakpijn en dat is eigenlijk nooit eerder op zo’n grote schaal gedaan. Er bestonden geen grote studies die konden aantonen of het erfelijk is. En nu blijkt: het is erfelijk. Dat is een van de mooie dingen die we al hebben gezien in de data.”

En wat kunnen - in dit geval - tandartsen met deze kennis, wat kunnen zij er mee in de praktijk?
“Een voorbeeld: als een patiënt klaagt over pijn, hoeft de oorzaak van die pijn niet per definitie te zitten op de pijnplek zelf. Als iemand klaagt over pijn in zijn kaak, maar er niet bij vertelt dat hij ook pijn heeft in zijn hoofd, rug en buik, en bovendien al jaren aan depressies lijdt, is de kans groot dat je geen duidelijke fysieke oorzaak vindt in de kaak. Het is daarom belangrijk dat tandartsen zich realiseren dat een dergelijke klacht vaak niet op zichzelf staat.”

Je gaf net aan dat angst, pijn en depressie aan elkaar gekoppeld zijn. In wat voor zin?
“Dat is eigenlijk wat ik de komend jaren wil uitzoeken. Van angst en depressie weten we dat de genetische factoren bijna hetzelfde zijn. De genen die angst beïnvloeden zijn min of meer hetzelfde als de genen die depressie beïn vloeden. En voor een deel overlappen ze ook met de genen die pijn veroorzaken, of tenminste die migraine veroorzaken.”

Ga je met dit onderzoek dan in feite ook in tegen het idee van een scheiding tussen lichaam en geest, waar je het eerder over had?
“Ja, want één van de hypotheses die ik wil onderzoeken is dat pijn bij een deel van de depressieve patiënten onderdeel is van de depressie. Zij lijden zowel mentaal als fysiek pijn. En tja, dat woord geestelijk. Daar krijg ik altijd een beetje jeuk van, want wat is geestelijk? Uiteindelijk is alles wat zich in je hersenen afspeelt lichamelijk. En in feite zijn al die psychiatrische en psychologische zaken dus fysiek. Dat onderscheid tussen mentaal en fysiek is gewoon heel kunstmatig.“

Heb jij persoonlijk ook iets met pijn?
“Ik ben niet uit persoonlijke ervaring geïnteresseerd in pijn. Ik heb wel een paar keer een migraineaanval gehad of iets dat daar op lijkt. (lacht) Ik weet zelf nog steeds niet of ik aan de officiële criteria voldeed. Ik werd op een ochtend wakker en dacht: ‘Volgens mij heb ik nu officieel migraine, want het is de vijfde keer in mijn leven dat ik me zo’n aanval kan herinneren.’”

“Dat woord geestelijk. Daar krijg ik altijd een beetje jeuk van.”


Ook daar bepaalt dus weer de duur en de aantallen de officiële status...
“Ja, dat is ook weer iets dat die diagnostische criteria zo raar maakt. Je moet bijvoorbeeld minimaal vijf keer een aanval hebben gehad om officieel migraine te hebben, maar als je zestien bent is de kans daarop kleiner dan wanneer je tachtig bent. Dus dan is het puur je leeftijd die bepaalt of je migrainepatiënt bent. Dat is natuurlijk raar.”

Is het zorgen voor heldere criteria ook een reden om dit onderzoek te starten?
“Dat zou me deugd doen inderdaad. Het mooiste zou natuurlijk zijn, wanneer we gewoon minder in hokjes gaan denken. Want dat is eigenlijk waar ik me altijd over opwind: dat patiënten en onderzoek in hokjes gestopt worden, zonder dat erover is nagedacht of die hokjes wel zinnig zijn. En het andere dat me drijft is het niet serieus nemen van patiënten. Zodra het woord psychosomatische klachten valt, dan proef je al dat de arts - omdat hij/zij de oorzaak niet kan vinden - de zaak wil afdoen en niet verder denkt te hoeven kijken. Maar het feit dat je geen oorzaak kunt vinden, wil natuurlijk niet zeggen dat je een patiënt kunt voorhouden: je stelt je aan, ga maar weer aan het werk.”

En wat vind je nu interessant aan juist deze specifieke onderwerpen?
“In eerste instantie was ik vooral geïnteresseerd in migraine. Depressie was voor mij maar vaag en onduidelijk. Maar mijn interesse werd gewekt toen ik ontdekte hoeveel pijn depressieve mensen hebben en dat daar dus een biologische reden voor kan zijn. Dat vind ik fascinerend. Juist om depressie te benaderen als een hersenziekte en niet als een psychologische ziekte. En pijn is daarnaast een zeer fascinerend en ongrijpbaar onderwerp. Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat de ernst van een verwonding vaak helemaal niet samenhangt met de hoeveelheid pijn die iemand lijdt. Ik hoorde bijvoorbeeld van mijn ACTA-collega’s dat sommige mensen met een gebit dat compleet naar de haaien is, helemaal geen pijn voelen. Terwijl anderen met alleen maar een blootliggende tandhals, vergaan van de pijn. Er bestaat dus geen sterke correlatie tussen de fysieke toestand en de hoeveelheid pijn die iemand ervaart. En dat vind ik juist zo interessant: waarom lijdt iemand heel veel pijn, terwijl de ander nergens last van heeft.”

Biografie

Lannie Ligthart (1980)

2010 - heden: Postdoc bij Biologische Psychologie, VU.
2010: Gepromoveerd bij prof. dr. D.I. Boomsma, Biologische Psychologie, VU. Proefschrift: The genetics and comorbidity of migraine
2005: MSc Neuroscience, VU
2003: BSc Biologische Psychologie, VU