Interview Mineke van Essen: "Iedere tandarts had één of twee assistentes; en dat waren altijd vrouwen"

“Waarom hoor je dat eigenlijk niet te vragen? Zie je wel, zo krijg je toch weer die stereotypering!” Emeritus hoogleraar genderstudies Mineke van Essen (69, vrolijke krullen, brilletje) reageert aan het einde van het interview lachend op de opmerking van de interviewer dat je vrouwen eigenlijk niet naar hun leeftijd hoort te vragen. De anderhalf uur daarvoor heeft ze uitgebreid gesproken over vrouwelijke stereotyperingen en de vervrouwelijking van beroepen.

Ze is gedreven en betrokken als het om vrouwenzaken gaat, maar relativeert ook: “Het is maar net vanuit welk tijdsbeeld je er naar kijkt.” Ze vertelt enthousiast en onderhoudend over haar vakgebied historische pedagogiek, maar kiest haar woorden op sommige momenten zorgvuldig: “dat weet ik niet, daar heb ik geen onderzoek naar gedaan”.

Tekst: Anke Brouwer

Logo pdf Downloaden interview

De reden voor dit gesprek is het feit dat sinds een aantal jaren de groep vrouwelijke studenten bij ACTA flink is gegroeid. De verhouding is momenteel 40% man en 60% vrouw en dat kan nog groeien (ter vergelijking: in de gezondheidszorg is het 70% vrouw om 30% man).

En dit geldt niet alleen voor ACTA. Het aantal vrouwelijke tandartsen in Nederland is de afgelopen decennia ook toegenomen, zo blijkt uit verschillende onderzoeken. Tussen 1904-1922 groeide het aantal vrouwen in de tandheelkunde gestaag van 6,6% naar 14% in 1922, maar rond 1990 is het aandeel vrouwen gelijk aan dat van mannen. En dat blijft zo, tot het aantal vrouwelijke studenten zo rond 2004 verder doorgroeit. Tegenwoordig is het aantal vrouwen in Nederland dat tandheelkunde studeert groter dan het aantal mannen.

Er wordt in de media vaak gesproken over de feminisering (of vervrouwelijking) van het onderwijs en de rechterlijke macht en de invloed daarvan op het vakgebied. Maar hoe zit dat met tandheelkunde? En in hoeverre heeft de toevloed van het aantal vrouwen een positief of negatief effect op het vak? Hoog tijd dus voor een goed gesprek met iemand die veel weet over de feminisering van beroepen en deze bovendien in een historische context kan plaatsen.

Van oudsher werkten er vooral mannen in de tandheelkunde. Kunt u hiervoor een verklaring geven?
Ja, tandheelkunde had vroeger een duidelijk mannenimago dat werd versterkt door de tandartsassistente. Iedere tandarts had er één of twee - dat laatste was nog mooier (lacht) - en dat waren altijd vrouwen. Wanneer er een typische mannen- en vrouwenrol binnen een beroepsgroep bestaat, vergroot dat de man/vrouwtegenstelling.”

M'n vader vond tandartsassistente echt iets voor mij. Ik dacht persoonlijk meer aan tandarts.


Tegenwoordig werken er meer vrouwen in de tandheelkunde. Kunt u iets vertellen over die verandering?
“Die omslag heeft veel met de tweede feministische golf te maken (de vrouwenbeweging die zich manifesteerde in de jaren ’60, ‘70 en ’80). In de jaren ’50 werd er op een bepaalde manier naar beroepen gekeken: mannen hadden werk en vrouwen oefenden een baantje uit tòt het moment dat ze gingen trouwen. Dat was de traditionele rolverdeling. Onder invloed van een heleboel factoren: economische ontwikkelingen (er moesten meer vrouwen de arbeidsmarkt op), de anticonceptiepil, de individualisering en democratisering van de samenleving, en de hele beweging van de jaren ’60 tegen het traditionele denken, zei een grote groep vrouwen: wij willen ook meedoen. En vanuit die groep ontstond veel verzet tegen typisch vrouwelijke beroepen, zoals die van tandartsassistenten. Eén van de slogans uit een beroemde campagne was dan ook: ‘M'n vader vond tandartsassistente echt iets voor mij. Ik dacht persoonlijk meer aan tandarts.’ Al die dingen tezamen zorgden ervoor dat er steeds meer vrouwen voor de tandheelkunde kozen.“

En veranderde deze ontwikkelingen ook de verhouding tussen de tandarts en tandartsassistent?
“Ja, dat veranderde heel erg. Met de democratisering van de jaren ’60 is de hiërarchie - die er in de samenleving van de jaren ’50 was - sterk verminderd. Ik denk dat er nu geen tandarts meer is die zich door zijn/haar assistente met ‘u’ en ‘dokter’ ‘meneer’ of ‘mevrouw’ laat aanspreken.”

Sinds 25 januari 2007 is Mineke van Essen met emiraat. Net als haar voorgangers in deze serie is ze nog steeds druk bezig met haar vakgebied. Haar werkkamer bevindt zich in een historisch pand in een romantisch straatje (met dito naam: de Grote Rozenstraat) vlakbij de binnenstad van Groningen.

Geschiedenis is natuurlijk een fantastisch beroep én ook essentieel, zegt van Essen: “Het historisch perspectief op de wereld is zo belangrijk. Dat je weet dat de wereld niet is ontstaan op het moment dat jij geboren bent.” En daarbij horen, volgens de emeritus hoogleraar, een nieuwsgierige blik en een kritische houding. Die kritische houding blijkt ook uit haar boek over de mythes in het onderwijs, dat zij samen met collega’s schreef. Terwijl in de media vooral gesproken wordt over de slechte invloed van de vervrouwelijking van het onderwijs op de ontwikkeling van kinderen, weet van Essen dat met haar onderzoek te weerleggen.

U heeft meegewerkt aan het boek ‘de mythen in het onderwijs’. Kunt u iets vertellen over de mythe van de vrouwelijke didactiek?
“De discussie in het boek gaat over negatieve ontwikkelingen in het onderwijs zoals: het studiehuis, kinderen die slechter zijn geworden in rekenen en jongens die het slechter doen dan meisjes, die altijd impliciet of expliciet ook worden toegeschreven aan de vervrouwelijking van het onderwijs. Maar als je bijvoorbeeld onderzoek doet naar de behandeling van jongetjes en meisjes in de klas, dan kun je empirisch geen verschillen merken.”

"Bij tandartsen hoeft er nauwelijks gesproken te worden. Sterker nog: daar kan niet zoveel gesproken worden"


Uw onderzoek richtte zich vooral op de vervrouwelijking van het onderwijs. Kunt u ook in het algemeen iets zeggen over de vervrouwelijking van beroepen en de effecten ervan?
“Eind jaren ’60 kwam de Franse sociologe Évelyne Sullerot met een soort van ‘wet’, die sindsdien de wet van Sullerot genoemd wordt. Deze wet stelt dat het toetreden van meer vrouwen tot een beroepsgroep de status ervan doet dalen. En omdat de status daalt, gaan er steeds minder mannen werken. Daardoor komen er weer meer vrouwen werken en zo krijg je een vicieuze cirkel.”

Tandheelkunde heeft ondanks de toevloed van het aantal vrouwen een onveranderde status, zo lijkt het. Kunt u dat verklaren?
“Omdat ik er zelf geen onderzoek naar heb gedaan, vind ik het lastig daar iets over te zeggen. (korte stilte) Ja, ehm (hardop denkend) in tegenstelling tot de huisarts en andere medische pecialismen waar de zorgcomponent altijd aanwezig is, is bij tandartsen het zorgelement veel eringer. Bij tandartsen hoeft er nauwelijks gesproken te worden. Sterker nog: daar kan niet zoveel gesproken worden (lacht). En die zorgcomponent zorgt juist voor een statusverlaging.”

U zegt dus: de combinatie van ‘vrouwelijke competenties’ (zoals zorgen) en een vervrouwelijking van het beroep beïnvloeden het imago. Niet alleen de vervrouwelijking van een beroep an sich?
“Inderdaad. En die vrouwelijke competenties komen dus voort uit een stereotype beeld dat er bestaat van vrouwen. De status van een beroep is ook een kwestie van beeldvorming. Het kan dus inderdaad zo zijn dat het voor de tandheelkunde weinig uitmaakt.”

Volgens uw onderzoek naar de mythes in het onderwijs blijken vrouwen geen rol te spelen in de verslechtering van het onderwijs. Toch worden vrouwen hiervan beschuldigd. Heeft dat ook met die stereotypering te maken?
“Ik denk dat het daar heel erg mee te maken heeft. Er bestaan verschillende stereotype beelden van vrouwen: vrouwen zijn te lief, vrouwen willen altijd de regels hanteren (anders raken ze in de war), vrouwen willen alsmaar praten. En we weten allemaal dat stereotypen nauwelijks bestand zijn tegen empirisch onderzoek.”

"Kijk, dat er mannen en vrouwen zijn, daar hoef je geen hersenonderzoek voor te doen"


In één van uw presentaties haalt u onderwijsminister De Visser aan die in 1918 stelde dat vrouwen“ niet de fysieke kracht of geestelijke gesteldheid bezitten voor diepgaande en afmattende studie”. Is er volgens u in de tussentijd écht veel veranderd in Nederland of zit die verandering vooral aan de oppervlakte?
“Ik denk wel dat er veel veranderd is. Soortgelijke uitspraken worden nu niet meer gedaan. Toch denk ik ook dat in de hoofden van mensen nog veel stereotype beelden bestaan. Om een voorbeeld te geven: sommige feministes nu, die financiële onafhankelijkheid van vrouwen belangrijk vinden, worden vaak boos op vrouwen die alleen voor een gezin kiezen. Dat heeft te maken met die beeldvorming van vrouwen. Er is geen man die zegt: “ik ga nu lekker een tijdje alleen voor de kinderen zorgen.” Die vrouwen zijn zo boos - zo zie ik het althans - omdat de andere categorie vrouwen het stereotype beeld waartegen zij vechten, vertegenwoordigen.”

Wat vindt u van het onderzoek van Dick Swaab eind jaren ’80 waarin hersenen van vrouwen en mannen met elkaar werden vergeleken en die van elkaar leken te verschillen?
(reageert fel) “Weet je: ik ga niet in dat hersenonderzoek zitten. Dat is mijn vakgebied niet. Ik kijk naar de culturele verschillen. Kijk, dat er mannen en vrouwen zijn, daar hoef je geen hersenonderzoek voor te doen. Dat er hormonale verschillen zijn, is ook wel duidelijk. De culturele effecten van man/vrouwverschillen zijn heel sterk afhankelijk van de cultuur van het moment. Ik kijk naar het feit dat er in 1918 zo’n onderwijsminister kan zeggen: “vrouwen zijn te zwak om te studeren”. Dat zegt nu geen minister meer, maar de hersenen van vrouwen zijn de afgelopen 100 jaar wel hetzelfde gebleven. Ik onderzoek de effecten vanuit de cultuur en beïnvloeding door de cultuur. En die zijn natuurlijk aan verandering onderhevig.”

Verwacht u dan ook dat de emancipatie van de vrouw in de toekomst zich verder doorontwikkelt?
“Nee, niet direct. In het verleden zie je vooral golfbewegingen in de manier waarop we naar man/vrouwverschillen kijken en hoe we er mee omgaan. Je kunt dus niet stellen dat de emancipatie een soort opgaande lijn is en dat het steeds beter gaat. Daar geloof ik absoluut niets van.”
“Maar wanneer je kijkt naar de huidige situatie en je ziet wat mijn dochter allemaal kan (haar dochter is Janka Stoker, vice-decaan van de faculteit economie en bedrijfskunde van de Rijksuniversiteit Groningen, AB) -en mijn kleindochter van tien straks- en daar tegenover wat ik vroeger mocht; dan is het nu zoveel plezieriger geworden. Dan heb je als vrouw tegenwoordig zoveel meer uitdagingen en mogelijkheden, en zoveel minder belemmeringen. Dat vind ik nu mooi. Dat je ziet dat dingen ook kunnen veranderen.”

Biografie

Mineke van Essen
Mineke van Essen studeerde geschiedenis in Groningen. Daarna is ze in diezelfde stad gepromoveerd op een onderzoek naar onderwijzeressen in de eerste helft van de 19e eeuw. In 1999 werd ze hoogleraar Genderstudies aan de Faculteit der Gedrags- en Maatschappijwetenschappen. Ze schreef diverse boeken waaronder: ‘Sekse als pedagogisch motief’, over de rol van sekseverschillen in het onderwijs, het gezin en de hulpverlening. En “Mythes in het onderwijs”, over de verschillende mythes die er bestaan over het onderwijs. Momenteel is van Essen bezig met een biografie van de hoogleraar ortho-pedagogiek Wilhelmina Bladergroen (1908-1983).

Meer informatie over de feminisering van de tandheelkunde via:
meer vrouwelijke tandartsen