Interview Rob schaub: “Een groot deel van de mondzorg kun je door mondhygiënisten laten uitvoeren”

Comfortabele zitjes, een open haard, koffie, thee en versnaperingen binnen loopafstand, voorbij razende treinen en een vriendelijke Drents sprekende bediening. De locatie voor dit interview is dit keer geen werkkamer, maar de stationsrestauratie van Assen. Rob Schaub, emeritus hoogleraar Tandheelkundige Zorgverlening (Sociale Tandheelkunde, AB) heeft geen eigen kamer meer in de faculteit Medische Wetenschappen van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG); en de interviewer geen rijbewijs. Afreizen naar zijn woonplaats Eelde was daarom geen optie en de locatie aan het station in Assen snel gevonden.

Een prima plek om het over samenwerken in de mondzorg te hebben. En Schaub is daarvoor en prima gesprekspartner. Tijdens zijn hoogleraarschap is zijn belangrijkste interesse: ‘samenwerking tussen verschillende beroepsgroepen’.

In 2008 schrijft hij het boek: Samenwerken in de Mondzorg. Nu hij met emeritaat is, richt hij zich – werkend als tandartsgeriatrie – volledig op de mondzorg aan ouderen. En ook daar blijkt een goede samenwerking belangrijk. Wie beter dan Schaub kan daarom het belang van samenwerken toelichten en hoe je dat dan doet: dat samenwerken. 

Tekst: Anke Brouwer

  Logo pdfDownload het interview

U studeerde in 1972 af als tandarts. Wat sprak u zo aan in de tandheelkunde?
“Mijn keuze had niet te maken met het feit dat ik per se iets met mijn handen wilde doen; ik wilde vooral iets in de gezondheidszorg doen. Geneeskunde was in die tijd erg populair, maar tandheelkunde had voor mij meer uitstraling. Dergelijke overwegingen maakte ik toen; mooier kan ik het niet maken.”
“Ik twijfelde ook tussen tandheelkunde en psychologie…”

Was dat de reden waarom u met uw proefschrift uit 1984 over ‘epidemiologie van parodontale afwijkingen, gedrag en communicatie’ de psychologische kant op ging?
“Ja, want met de tandheelkunde als technisch vak heb ik niet zo veel. Het mooie van de tandheelkunde vind ik de mensen die meekomen met hun gebit. Daarom ben ik meteen na mijn afstuderen, ook in de sociale tandheelkunde gestapt.”

Was de combinatie tandheelkunde en sociale tandheelkunde een voordeel in uw werk?
“Ja, absoluut. Ik vind het goed wanneer een groep psychologen meepraat over de uitoefening van het tandheelkundige vak, maar er moeten binnen zo’n groep ook mensen meelopen die weten hoe het voelt om een kies te trekken, om een naald in iemands mond te steken, een vulling te maken of om diagnostiek te bedrijven. Als psycholoog heb je namelijk geen idee hoe die zorg aanvoelt. Een inhoudelijke inbreng is daarom noodzakelijk.”  “Zelf heb ik veel gedaan aan sociologie en psychologie, maar ik ben geen socioloog en ik ben geen psycholoog. Ik begrijp er een beetje van en weet een beetje hoe het voelt, en dat is leuk. En voor een psycholoog is het weer ontzettend leuk om een beetje gevoel te hebben voor de tandheelkunde. Kortom: dan heb je een mooie samenwerking.”

Als u met een sociologen- en psychologenblik naar de tandarts kijkt, zijn in uw ogen tandheelkundigen dan een apart type mens?
“Ja, dat vind ik wel. Tandartsen zijn – door de bank genomen – sterk resultaatgericht. En dat resultaat willen ze graag op relatief korte termijn zien. Ze houden daarom niet van toeters en bellen en hun wens tot interactie met andere mensen is beperkt. Dat bedoel ik niet negatief, maar zo ervaar ik het wel. Ze vinden contact met mensen leuk, maar het moet niet te diep gaan. Dat merk je bijvoorbeeld sterk in de mondzorg voor ouderen. Daar spelen tandheelkundige technieken maar een beperkte rol. De nadruk ligt er op de interactie. Veel tandartsen vinden het onaantrekkelijk als ze langdurig rekening moeten houden met mensen die langzamer zijn geworden, die dingen moeilijk begrijpen, die aarzelen en die familie meebrengen die ook van alles te melden heeft.”

“Tandartsen moeten vaker als een internist denken”


Komt die resultaatgerichtheid niet in meer beroepsgroepen voor?

“Ja, tandartsen lijken in feite op chirurgen. Chirurgen zijn ook gericht op resultaten en op de korte termijn. En dat is aan de ene kant een goede eigenschap – want soms moet er snel ingegrepen worden – aan de andere kant zouden tandartsen vaker als een internist moeten denken.

Hoe bedoelt u dat?
Ziet een chirurg iets, dan bepaalt die een diagnose en gaat aan de slag. Ziet een internist iets dan denkt die: ‘Is dat echt waar?’ De internist gaat nog eens kijken; en nog eens. Hij (of zij) gaat het verder onderzoeken, nog eens kijken en neemt dan pas een beslissing. Die denkwijze mag in de mondzorg veel vaker toegepast worden. Zeker in de ouderenzorg.”

Kunt u daar iets meer over vertellen?
“Ja, ouderenzorg – en dan bedoel ik de mondzorg voor vijvenvijftigplussers – kun je onderverdelen in drie groepen. De grootste groep – circa vijfenzeventig procent – is vitaal. Die groep loopt lekker mee in het leven en kan voor zichzelf zorgen. De tweede groep – ongeveer vijftien procent – is enigszins afhankelijk. Mensen in die groep zijn beperkt en hebben vaak meerdere ziektes, kortom: daar gaat het niet meer vanzelf. De laatste groep – van circa tien procent – bestaat uit kwetsbare ouderen die in een verpleeghuis of verzorgingstehuis zitten. Voor al deze groepen geldt dat je als tandarts rekening moet houden met het feit dat ze ouder worden en dat er een toenemende kans bestaat dat het minder goed met ze gaat. En als het niet goed met ze gaat, kunnen ze minder goed voor hun gebit zorgen. Behandelingen moeten daarop worden aangepast, want je moet de risico’s beperken.”

Op welke risico’s doelt u dan?
“Neem bijvoorbeeld het plaatsen van een implantaat. Als je nu al weet dat een patiënt binnen afzienbare tijd niet meer voor zichzelf kan zorgen waardoor dat prachtige werk, dat mooie implantaat ten gronde kan gaan, dan zorg je ervoor dat ‘ie voldoende bestendig is. Dat kan door een eenvoudige vorm te kiezen. Ook om te voorkomen dat de patiënt – terwijl het al niet zo goed gaat – daarbovenop last en pijn krijgt van het gebit.”
“Het komt regelmatig in onze praktijk voor dat we grote bruggen moeten weghalen. En dan bedoel ik geen brugje, maar grote bruggen; prachtige constructies die ooit – met de beste bedoelingen – zijn gemaakt.”

U heeft het over voldoende bestendig, maar wanneer is dat het geval?
“Wanneer een constructie goed te reinigen is, wanneer ‘ie tegen een stootje kan en gemakkelijk uit te breiden is.”

“Op dit moment kunnen we prachtige dingen maken, maar sommige ontwikkelingen zijn heel kwetsbaar. Zolang een prothetische voorziening – met prachtige slotjes en weet ik wat – op vier tanden en kiezen hangt, gaat het prima. Maar gaat een van de tanden eraan, dan kun je het hele ding weggooien. Je kunt daarentegen ook een prothetische voorziening maken waarvan je weet: ‘al vervalt een kies, het ding blijft zitten’. Dat vereist een andere manier van denken dan we nu doen.”

Na zijn afstuderen in 1972 vertrekt Rob Schaub naar Engeland voor een cursus Dental Public Health. Na terugkomst in Groningen blijft hij werken bij de Rijksuniversiteit Groningen (RUG). Tussen 1986 en 1995 is hij ziekenhuisdirecteur in het Academisch Ziekenhuis in Groningen (AZG, nu UMCG). Schaub: “Daar heb ik geleerd en ervaren dat ik de combinatie van vakinhoudelijk en met de organisatie bezig zijn, heel prettig vindt. Het managen van een ziekenhuis heeft alleen één groot nadeel; je mag je niet met de inhoud bemoeien. En op den duur vond ik dat heel beperkend.” In 1996 wordt Schaub hoogleraar Tandheelkundige Zorgverlening. Hij richt zich op de zorg voor bijzondere groepen, zoals dak- en thuislozen en kwetsbare ouderen en werkt vanuit het UMCG ook als tandartsgeriatrie voor de bewoners van zes verpleeghuizen. Na zijn emiraat treedt hij als tandartsgeriatrie in dienst van zorginstelling ZINN en daar werkt hij nu nog. In 2008 schrijft hij het boek Samenwerken in de mondzorg over “processen en achtergronden van samenwerking in de zorg vanuit verschillende invalshoeken.”

“Zij hebben hun zelfstandigheid en ik de mijne”

Wat zijn de belangrijkste conclusies uit uw boek?
“Dat je een heel groot deel van de mondzorg kunt laten uitvoeren door mondhygiënisten. Waarom? Omdat de mondzorg preventief gericht moet zijn: professionele preventie en ondersteuning van zelfzorg. In ieder geval geldt dat voor het merendeel van de groep vijfenvijftig-minners. Schaub lacht: “Ha, nu moet ik weer die vijfenvijftig plussers hebben. De mensen die namelijk jonger zijn dan vijfenvijftig hebben geen cariësepidemie en wel de voordelen van fluoride meegemaakt. En die groep heeft voor het grootste deel hun tanden en kiezen nog. Met die tanden is ook niet veel mis en de verwachting is ook niet dat dat op de korte termijn gaat gebeuren. Afgezien van de gecompliceerde problemen met de mondgezondheid of problemen met de algemene gezondheid, kan de mondzorg voor die groep door mondhygiënisten worden gedaan. Het is onzin dat tandartsen dat doen.”

Hoe ziet u dat voor zich?
“Allereerst moeten we de getallen veranderen. Er zijn nu circa achtduizend tandartsen in Nederland. Dat aantal kan teruggebracht worden naar drieduizend. Daarnaast moeten er zevenduizend mondhygiënisten bijkomen. Dan krijg je mensen doelgericht aan het werk en wordt een goede samenwerking tussen tandarts en mondhygiënisten cruciaal.”

Hoe ziet u die samenwerking voor zich?
“Tandartsen moeten meer beleidsmatig gaan werken. In mijn praktijk werken twee mondhygiënisten en een klinisch prothese technicus. Een behoorlijk deel van mijn tijd gaat op aan de overleggen met ze. We bespreken ons beleid en enkele casussen. Ik schets de context waarbinnen ze kunnen werken, daar is mijns inziens een tandarts voor.”
“Een tandarts moet uiteraard over voldoende technisch inzicht en kennis beschikken om patiënten goed te kunnen behandelen,  maar hij (of zij) moet – zoals ik eerder al aangaf – ook als een internist kunnen denken. Hij (of zij) moet goed kunnen coachen en inschatten hoe het met de patiënten gaat; of ze nu vijftien of vijfenzeventig zijn. De tandarts vervult – met andere woorden – een centrale rol in het contact tussen specialisten en mondhygiënisten. Dat betekent ook dat tandartsen veel minder routinematig gaan werken. En ja, dan verandert er nogal wat.”

Tandartsen werken nu ook al met mondhygiënisten en specialisten. Wat is dan de belangrijkste verandering?
“Tandartsen die met mondhygiënisten werken, werken nu vaak op het niveau: ‘Jij doet dat en jij doet dat’. Tja, dat is geen samenwerken; dat is taken uitdelen. Ongetwijfeld leuk om te doen en het heeft vast goede aspecten, maar het is geen samenwerken.”
“De mondhygiënisten met wie ik nu werk, lopen simpelweg zelfstandig door het verpleeghuis rond. Daar ga ik niet achteraan om te controleren wat ze aan het doen zijn en waarom. Ik kan in hun dossiers kijken en zij in de mijne. En we spreken elkaar aan op zaken die niet goed gaan, om van elkaar te leren. Zij hebben hun zelfstandigheid en ik de mijne.”

"Als de gebitten van mensen goed zijn, komt dat omdat mensen goed voor hun gebitten zorgen”


Hoe denkt u over samenwerken buiten een praktijk en buiten het vakgebied?
“Dat is van belang binnen het totaal van de zorg. Kijk, weinig mensen weten waar het vak tandheelkunde overgaat, want de tandheelkunde heeft zich in het verleden volledig geïsoleerd van de rest van de gezondheidszorg. En nog steeds krijgen de geneeskundestudenten slechts een paar colleges over mondgezondheid, meer niet. Huisartsen weten er niets van.  Specialisten weten er niets van. Er is dus heel weinig contact onderling tussen tandartsen en de rest van de gezondheidszorg.  Terwijl wij tandartsen veel kunnen betekenen voor collega’s die werken in de gezondheidszorg.”
“Tegen onze specialist ouderengeneeskunde kan ik bijvoorbeeld zeggen: ‘Mevrouw Jansen lijkt depressief te zijn, kun jij er ook eens naar kijken’. En ik zit sinds kort in een overleg over patiënten met cardiovasculaire accidenten oftewel beroertes. Van de medicijnen die patiënten na een beroerte krijgen, krijgen ze een ontzettend droge mond. Niet een beetje, maar een heel erg droge mond: en dat kan leiden tot explosieve cariës en parodontale afwijkingen. Als tandarts kunnen we bij die problemen van grote betekenis zijn, maar eerder werden we niet betrokken bij dergelijke overleggen. In dat op zicht valt er dus een wereld te winnen.”

Wat wilt u toekomstige tandartsen nog meegeven?
“Probeer je praktijk en je werkwijze zo in te richten dat je belangrijkste doel wordt: ‘ongelooflijk veel mensen een gezonde mond geven’. Dat klinkt logisch, maar op dit moment wordt vooral gekeken naar het aantal verrichtingen, niet naar de totale gezonde mond. Ik zou zeggen, kijk gewoon naar wat een tandarts moet verdienen – huppakee, 130.000 euro per jaar; een leuk inkomen – en laat hem of haar ervoor zorgen dat de monden weer gezond worden. En richt je op mensen, niet op de techniek. Alle grote infectieziektes die ooit zijn verdwenen, zijn nu weer aan het verschijnen. En dat komt niet door de techniek, maar door het gedrag van mensen. Als de gebitten van mensen goed zijn, komt dat omdat mensen goed voor hun gebitten zorgen.”

Biografie

Schaub werkt sinds zijn emiraat voor een zorginstelling en richt zich daar specifiek op de mondzorg voor ouderen. Hij studeerde Tandheelkunde aan de Rijksuniversiteit in Groningen (RUG).

1972 afgestudeerd als tandarts (RUG)
1974 cursus Dental Public Health, London Dental Schools; Royal College of Surgeons
1984 promoveert op de epidemiologie van parodontale afwijkingen en gedrag en communicatie: “Barriers to effective periodontal care’
1986 ziekenhuisdirecteur Academisch Ziekenhuis in Groningen (AZG)
1995 hoogleraar Tandheelkundige Zorgverlening (UMCG)
2008 schrijft: Samenwerken in de mondzorg
2011 emeritus hoogleraar Tandheelkundige Zorgverlening (UMCG)
2011 tandartsgeriatrie bij ZINN behandeldiensten BV

Schaub wordt bij zijn afscheid in 2011 benoemd tot Ridder in de orde van Oranje Nassau. Hij is in zijn woonplaats Eelde voorzitter van de medezeggenschapsraad bij basisschool De Ekkel in Eelde (hij heeft kinderen in die leeftijd) en voorzitter van de jeugdcommissie van de Hockeyclub Eelde.