Interview Patricia de Vries: “Niet weten waar je geliefde of familielid is, is het ergste wat er is”

Ze was erbij toen in 2004 een tsunami heel Zuid-Azië overspoeld had, ze hielp mee met het onderzoek naar de slachtoffers van de vliegtuigramp in 2010 in Tripoli (Libië) en ze versterkte ook het internationale team dat zich bezighield met de identificatie van de slachtoffers van de MH17 vorig jaar. Majoor Patricia de Vries is tandarts en forensisch odontoloog, een specialisatie die niet veel mensen in Nederland beoefenen.
Slechts tien mensen mogen zich forensisch odontoloog noemen en ook bestaat er in Nederland geen opleiding voor het vak. Ook niet zo gek, als je bedenkt dat er ‘gelukkig’ weinig rampen plaatsvinden in Nederland en Nederland geen juryrechtspraak heeft zoals in België of Amerika. Daar treden forensisch odontologen incidenteel op als getuige tijdens een rechtspraak. Forensisch odontologen werken dan ook niet fulltime in het vak. Vaak doen ze het naast hun praktijk. Maar hoe word je in Nederland dan toch forensisch odontoloog?

En wat komt er allemaal bij kijken om het vak uit te oefenen? Factaal sprak erover met De Vries. Niet in Amsterdam, maar in het Centrum voor Mens en Luchtvaart in Soesterberg, want in het ‘gewone’ leven werkt ze fulltime als tandarts bij de Koninklijke Luchtmacht voor het Ministerie van Defensie.

Tekst: Anke Brouwer

 Logo pdfDownload het interview

Wat doet een forensisch odontoloog?

“Je identificeert slachtoffers van rampen en misdrijven aan de hand van het gebit. Dat doe je in opdracht van de Nationale Politie. Maar bij grote rampen, met veel slachtoffers, werken we samen binnen het Landelijk Team Forensische Opsporing (LTFO). In dat team werken niet alleen tandheelkundigen, maar verschillende forensisch specialisten. Slachtoffers worden bij een dergelijke ramp geïdentificeerd aan de hand van internationaal vastgestelde procedures, waarbij niet alleen naar het gebit wordt gekeken, maar ook het DNA en vingerafdrukken worden onderzocht voor een complete identificatie.”


En hoe gaat u te werk?
“Om tot een identificatie te komen vergelijken we kortgezegd de ante mortem (AM) gegevens, dus de informatie die voorhanden is van voor de dood van het slachtoffer, met de post mortem (PM) gegevens, de gegevens die we verzamelen tijdens het onderzoek in het mortuarium. Alle AM-gegevens worden, bij rampen verzameld door het LTFO. Zij nemen  bijvoorbeeld contact op met de tandarts en nabestaanden van het slachtoffer. Die informatie kan bijvoorbeeld bestaan uit behandelhistorie, gebitsstatus, gebitsmodellen, röntgenfoto’s, foto’s van het gebit of portretfoto’s. Wanneer er sprake is van een misdrijf onderzoeken we niet alleen het gebit van het slachtoffer. Als ze aanwezig zijn, al komt het niet vaak voor, onderzoeken we ook bitemarks. Dat zijn bijtafdrukken in het slachtoffer of in bijvoorbeeld een stuk kaas dat vlakbij het slachtoffer lag. Met die gegevens kunnen we hooguit een eventuele dader uitsluiten. Bepalen wie het gedaan heeft, kan niet, want de bitemarks worden bijna nooit precies recht geplaatst. Het slachtoffer kan zich afweren tijdens het bijten bijvoorbeeld of iemand bijt ruw een stuk appel af. Je krijgt dus altijd een vertekening.”

“Al vrij snel bleek dat ik ook in het mortuarium moest helpen”


Er zijn maar weinig forensisch odontologen. Hoe bent u in dit vak terecht gekomen?
“Alle tandheelkundigen bij defensie krijgen een cursus forensische odontologie aangeboden. Dus toen ik bij defensie kwam werken, mocht ik de cursus ook volgen; destijds in Washington. De cursus beslaat een week en daarin krijg je vooral theorielessen. Na zo’n cursus denk je dat je voorlopig nog niet aan de slag hoeft, want zo vaak vinden er geen rampen plaats, maar het was 2004 en in dat jaar overspoelde een tsunami het zuiden van Azië; ook Nederland hielp mee. De ramp was dusdanig groot dat ze flink wat mensen te kort kwamen om te helpen. En omdat ik de cursus had gedaan werd ook ik gebeld om te helpen. Ik dacht gelijk: Ja, natuurlijk. Ik wil helpen. Maar wat dat zou betekenen, daar had ik nog geen idee van. Ik dacht nog: ze zullen me wel achter een computer zetten, ik heb zo weinig ervaring.

Beeld: Tsunami in Zuid-Oost Azië (bron: Shutterstock)

Maar al vrij snel bleek dat ik ook in het mortuarium moest helpen. Ja, en dan is de praktijk je snelste leerschool. Ik zat er gelukkig met een heel ervaren collega van de Koninklijke Landmacht: Arjen Clement en samen zijn we aan de slag gegaan binnen het toenmalige Rampen Identificatie Team (RIT, inmiddels opgegaan in het LTFO). We werkten drie weken aaneengesloten. Na een korte pauze zijn we teruggegaan en werkten er, vanwege de grote aantallen slachtoffers, opnieuw een langere tijd achtereen. Ik heb daarna wel een pauze moeten inlassen, omdat het ontzettend intensief was. Uiteindelijk ben ik via een goeie collega, die had meegeholpen in Thailand, opnieuw de forensische odontologie ingerold en er niet meer weggegaan.”

Als u naar een gebit kijkt, wat kunt u daar dan uit aflezen?
“Bij het verzamelen van de PM-gegevens noteer je alles wat je ziet. Bij het maken van de vergelijking kijk je eerst naar het grote geheel: rechtsboven zit een kroon, linksonder zit een beugelspalkje enzovoorts. Dat is de basis, daarna ga je over op de details: Is het een gouden kroon of een porseleinen? Heeft het spalkje een aparte vorm? Of is het gemaakt van een bepaalde kleur of materiaal. We maken altijd röntgenfoto’s en foto’s van het gebit, de bitewings, net als een gewone tandarts doet. En als er bijzonderheden zijn, maken we ook daar solo’s en foto’s van. Maar bij alles wat we doen proberen we het slachtoffer zoveel mogelijk in tact te laten. Vroeger werd vooral gedacht: het moet voor ons werkbaar blijven, maar met de huidige technieken is het steeds beter mogelijk om slachtoffers toonbaar te maken voor de familie. En die gelegenheid willen we ze graag bieden.”

U kijkt vooral naar opvallende dingen in het gebit. Wordt het identificeren niet lastiger, met de gave gebitten van tegenwoordig?
“Dat maakt het wel lastiger, ja. En ook die prachtige witte vullingen en porseleinen kronen, maken het identificeren moeilijker. Dan zijn we gedwongen om foto’s te maken, zodat je kunt zien of het een kroon is of niet. Maar het kan wel. We gaan dan een stapje verder en kijken naar bijvoorbeeld de vormen van de wortel, de stand van de tanden, de ontwikkeling van een gebit. En vullingen zijn altijd uniek, zolang ze goed gedocumenteerd zijn, kunnen we daaruit altijd veel informatie halen.”

“In eerste instantie was onduidelijk of we naar Oekraïne zouden gaan”


De Vries werkt intussen zestien jaar bij defensie, waarvan twaalf jaar als forensisch odontoloog. Werken bij defensie vindt de Vries om meerdere redenen interessant: “Het werk is heel divers en breed. En je zit niet de hele dag tussen vier muren, want ook wij gaan mee op missies naar het buitenland.” Het feit dat ze bij defensie werkt heeft ook andere voordelen, want daardoor kan ze – als dat nodig is – voor langere tijd van haar werk worden vrijgemaakt om te helpen met identificaties. Aan kleinere opdrachten werkt ze in de avonduren of weekenden. Haar werk als forensische odontoloog bij grote rampen vraagt wel om bepaalde eigenschappen, zo legt De Vries uit: “Tandartsen zijn meestal gewend solitair te werken, ze zijn baas in eigen praktijk, maar voor dit werk moet je een teamplayer zijn. Je bent een schakel in het geheel. En je moet er uiteraard tegen kunnen: het moet je liggen. De meeste mensen die dit werk doen zijn bevlogen voor het vak.”

Bevlogenheid is belangrijk, zegt u. Wat trekt ú zo aan in de forensische odontologie?
“Ik wil graag mensen helpen. Ik wil nabestaanden hun familielid of naaste teruggeven. Ze helpen een bepaald rouwproces in te gaan of af te sluiten. Niet weten waar je geliefde of familielid is, is het ergste wat er is. Dat blijft een open einde.”

Welk onderzoek heeft de meeste indruk op u gemaakt?
De Vries denkt even na en zegt dan: “Thailand. Omdat het mijn eerste ervaring was en omdat de processen heel dicht bij elkaar lagen. In een ideale situatie werk je met drie gescheiden teams samen. Zo verzamelt een  familierechercheur de AM-gegevens en hij of zij heeft ook contact met de nabestaanden, wij verzamelen de gegevens over het gebit, de PM-gegevens. En weer een ander team, maakt de match: zij koppelen de naam bij het nummer van het slachtoffer. En die teams horen officieel, in verband met de onafhankelijkheid van het onderzoek, geen contact met elkaar te hebben. In Thailand lag het veel dichter bij elkaar. Niet in de zin dat wij contact hadden met de nabestaanden voor het verzamelen van de AM-gegevens, maar zodra wij klaar waren met de identificatie en het lichaam konden vrijgegeven, kwamen de familie en nabestaanden het lichaam bij ons ophalen. Er reden auto’s met  lijkkisten af en aan en vaak zag je de nabestaanden zelf ook, die zeer emotioneel waren. Dat doet veel met je.”

“In feite gebeurde het ook tijdens het onderzoek naar de slachtoffers van de MH17. We werkten in Hilversum in een afgesloten kazerne en in feite beschermd tegen indrukken van buitenaf. Maar zodra je de poort uitliep, kwam een bloemenzee je te gemoet. Dat maakte het werken heel intensief.”

En ook zwaarder? Omdat er zoveel aandacht voor was?
“Ja, alles wat we deden kreeg veel aandacht. En de situatie was ook bijzonder, omdat het ongeval boven oorlogsgebied had plaatsgevonden. In eerste instantie was ook onduidelijk of we naar Oekraïne zouden gaan of dat we de slachtoffers naar Nederland zouden halen. Toen duidelijk was dat ze naar Nederland kwamen, gaf dat iedereen veel rust. We konden nu in een veilige, afgeschermde omgeving ons werk doen, en dat was prettig. Maar ja, de hele wereld zat er natuurlijk bovenop: persfotografen, camera’s bij de poorten, alles erop en eraan. De situatie was ook bijzonder, omdat we in Nederland werkten. We werkten overdag heel intensief samen, maar ’s avonds ging iedereen weer naar huis. Je krijg dan een rare verweving tussen je dagelijkse leven en het werk dat je doet.“

Hoe gaat u om met al die indrukken die u opdoet tijdens het werk?
“Ik heb intussen veel ervaring opgedaan en kan het nu wel een plek geven. En ik probeer AM en PM voor mezelf heel erg gescheiden te houden. Dus niet te veel na te denken over de persoon achter het slachtoffer. Maar we worden door defensie en de Nationale Politie ook begeleid door psychologen. Die voeren gesprekken met iedereen.”

En wat doet u verder nog? Gaat u een rondje hardlopen om uw gedachten te verzetten?
“Ik probeer me vooral thuis lekker te ontspannen, maar wandel ook veel in de natuur. En ik deel ook zoveel mogelijk met mijn partner. We voeren er open en goeie gesprekken over. Het is belangrijk dat je partner weet wat je aan het doen bent, wat het met je doet en het begrijpt. Zonder een fijn thuisfront is dit werk een stuk lastiger.”